To Content

Inleiding Themanummer Thomas Pynchon

Luc Herman

Yang, jaargang 28, 1992/1, blz. 5-10

Thomas Pynchon heeft de reputatie een moeilijke auteur te zijn. Deze reputatie is niet geheel ongegrond. Pynchon neemt immers vaak een loopje met het comfort van de lezer. Hij ondermijnt meer dan eens de zekerheden waarmee men zijn werk te lijf zou kunnen gaan. V. (1963), The Crying of Lot 49 (1966) en Gravity's Rainbow (1973), de drie romans waarmee Pynchon zijn reputatie vestigde, werden bij de publikatie ongetwijfeld ook vanwege hun moeilijkheidsgraad de hemel ingeprezen. Zo werd Pynchons werk al gauw het jachtgebied van academici, wat dan weer een onwaarschijnlijk snelle canoniserinng opleverde. Wie iets wil zeggen over de naoorlogse Engelstalige literatuur, kan niet om Pynchon heen. Zoals in het geval van Joyce en Proust is ook rond het werk van Pynchon een hele industrie ontstaan, met nu al meer dan dertig boeken, ontelbare artikelen en een tijdschrift dat exclusief gewijd is aan de auteur - Pynchon Notes.

De teksten van Pynchon cirkelen volgens de critici rond twee hoofdthema's: entropie en paranoia. Het begrip entropie stamt uit de warmteleer, waar het als een maat fungeert voor de hoeveelheid warmte die niet in bruikbare mechanische energie kan worden omgezet. Het begrip wordt ook gebruikt in de communicatietheorie, waar het verwijst naar het onvermijdelijke informatieverlies bij de overdracht van een boodschap. Meer algemeen verwijst entropie naar het feit dat elk organisme (en dus ook onze planeet in haar geheel) langzaam maar zeker op haar definitieve ondergang afstevent. De mens vervalt hierbij onherroepelijk in achtervolgingswaanzin. Dit is de enige manier waarop toch nog enige orde kan worden aangebracht in de chaos van de hedendaagse maatschappij. Wie een complot vermoedt, definieert zichzelf meteen als een tamelijk homogeen subject ten overstaan van de rest van de (vijandige) wereld. Pynchons beeld van de mens op zoek naar eenheid en zin is kenmerkend voor het literaire modernisme. Daarom moet van meet af aan de vraag worden gesteld of het populaire prefix "post" bij hem wel op zijn plaats is. Misschien is de grenslijn tussen de twee recentste periodes uit de literatuurgeschiedenis wel een produkt van de huidige wens naar voortdurende drastische vernieuwing, terwijl de gesuggereerde ontwikkeling in feite neerkomt op een verschil in graad. Voor Pynchon in het bijzonder kan dan gelden dat hij prozaconventies als personage, plot en vertelstandpunt weliswaar in vraag stelt en tot op zekere hoogte afbouwt, maar dat hij niettemin thematisch en motivisch zijn eigen dammetjes opwerpt tegen de "postmoderne" betekenisondermijning.

Pynchon is de grote onzichtbare van het hedendaagse literaire bedrijf. Hij vertoont zich nooit en geeft nooit een interview. De meest recente foto's die van hem in omloop zijn, dateren uit de jaren vijftig.

Dit feit werd door volgelingen van Michel Foucault en Roland Barthes wel eens aangegrepen ter illustratie van de theorie over de "dood" van de auteur. Volgens Foucault en Barthes is het auteurschap een fictie, een humanistische illusie die de creatieve en ingrijpende omgang met een literaire tekst onmogelijk maakt. Misschien. Het is echter niet omdat een auteur om diverse redenen geen ultieme controle heeft over zijn produkt dat de auteur als instantie meteen moet worden afgevoerd. Het is niet omdat een subject niet zo homogeen is dat het meteen moet worden vermoord. Enige twijfel over de huidige ontologische status van Pynchon is toegestaan en misschien zelfs nuttig voor de receptie van zijn werk, maar verder hoeft dat niet te gaan.

Thomas Pynchon werd geboren op 8 mei 1937 in Glen Cove, Long Island, een residentiële streek in de buurt van New York. [1] Hij bezocht de Oyster Bay High School, waar hij meewerkte aan de schoolkrant. Hij was een uitstekend leerling, met een bijzonder talent voor wiskunde. Dankzij een studiebeurs kon Pynchon als undergraduate studeren aan de Cornell University. Hij wilde eerst ingenieur worden, maar na een korte onderbreking voor een dienst bij de Navy behaalde hij uiteindelijk in 1960 zijn Bachelor of Arts met een major in Engels. Op Cornell kreeg Pynchon les van Nabokov, die zich hem later overigens nauwelijks herinnnerde. Aan de universiteit werkte hij ook mee aan een tijdschrift, The Cornell Writer. Na zijn studie woonde hij een tijdje in Greenwich Village, trok daarna naar Seattle waar bij Boeing werkte tot 1962. Vervolgens verhuisde hij naar Californië en woonde ook nog een tijdje in Mexico. Na de publikatie van zijn eerste roman werd hij niet meer gesignaleerd. Aleen zijn agente lijkt met zekerheid iets over hem te weten. Allerlei theorieën doen de ronde. Het Amerikaanse tijdschrift Soho Weekly News verspreidde in de jaren zeventig het idee dat Pynchon eigenlijk J.D. Salinger was, aangezien het verschijnen van Pynchon samenviel met Salingers verdwijning van het literaire toneel. Pynchon reageerde als volgt: "Not bad, keep trying." [2]

Men vermoedt dat Pynchon momenteel in Californië woont, wellicht zonder financiële zorgen. Zijn boeken zijn moderne klassiekers geworden en verkopen dus goed - of ze helemaal gelezen worden is uiteraard een andere zaak - en het tijdschrift Pynchon Notes meldde enkele nummers geleden dat de auteur in 1988 een MacArthur-werkbeurs heeft gekregen ter waarde van 310 000 dollar (gespreid over 5 jaar).

In het persbericht over de toekenning wordt Pynchon beschreven als "a novelist noted for his power of language and theme, and for his mastery of history, the sciences, politics and art." [3] Het tweede deel van deze typische ovationele zin geeft goed aan waar het schoentje kan knellen bij de lectuur van Pynchon. Zijn boeken - en vooral Gravity's Rainbow - zijn zo encyclopedisch dat enige wetenschappelijke, culturele en historische bagage onmisbaar is. Maar met een goed naslagwerk als de Encyclopedia Brittanica kom je al heel ver. Als je er dan nog een woordenboek bijneemt voor de zorgvuldige ontrafeling van de lange zinnen - bij voorkeur de Amerikaanse Webster's - dan zit je zonder meer goed voor de verwerking van Pynchons weerbarstige maar niettemin fascinerende teksten.

Tijdens zijn studie op Cornell schreef Pynchon zes korte verhalen, die hij tamelijk snel kon plaatsen in (soms vrij obscure) literaire tijdschriften. In 1984 werden de meeste van deze verhalen gebundeld in Slow Learner en voorzien van een inleiding door de meester zelf. De titel van de bundel spreekt boekdelen. Pynchon stelt zichzelf als een trage leerling te kijk, maar een dergelijke minzame zelfkritiek kan wellicht pas wanneer je je door je eigen "meesterschap" gedekt weet. De inleiding is een uitermate boeiende tekst, niet in het minst omdat door Pynchons voortdurende onzichtbaarheid en door de creatie van onzekerheid in zijn fictie onverbiddelijk de vraag rijst of hij nu wel meent wat hij zegt. Pynchon is in zijn inleiding onverwacht vrij kwistig met informatie over zijn beginperiode, waarop hij enigszins denigrerend maar vaak toch bijna nostalisch terugkijkt. Leuk is dat hij zijn veelgeroemde verwijzingen naar de wetenschap althans voor wat de korte verhalen betreft een beetje op de helling zet. Entropie was voor hem toen nog gedeeltelijk een raadsel, bekent Pynchon ootmoedig, en toch schreef hij al een verhaal met die titel. De Nederlandse vertaling van deze sleuteltekst opent dit nummer van Yang. [4] In zijn analyse van de vroege verhalen volgt Bart Vervaeck de centrale metafoor van de zee. Het resultaat is een heldere beschrijving van Pynchons vroege universum, dat reeds vele kenmerken vertoont van wat in de romans op grotere schaal zal worden uitgewerkt.

Voor V. kreeg Pynchon in 1963 de Faulkner Foundation Award voor de beste debuutroman. De juiste appreciatie van dit boek wordt bemoeilijkt door het feit dat het nu wordt overschaduwd door Gravity's Rainbow. Het bevat nochtans ongeëvenaarde episodes, zoals de beschrijving van de jacht op krokodillen in het rioolsysteem van New York en een evocatie van de uitroeiing van een Afrikaans volk door de Duitsers in 1904. Van de titelfiguur kan niet steeds met zekerheid worden gesteld dat het een vrouw is. "Zij" krijgt vorm in een aantal hoofdstukken die zich op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen in het verleden afspelen. Deze "historische" hoofdstukken over V. zijn als het ware geïnjecteerd in een vertelling over een zekere Benny Profane en The Whole Sick Crew. Benny en zijn vrienden drijven doelloos rond in het New York van de jaren vijftig. Jazz, de beat poets en het existentialisme zijn de kapstokken waaraan Pynchon zijn beschrijving van een milieu ophangt. Eén van Profanes kennissen is Herbert Stencil. Zijn obsessie voor V. motiveert de aanwezigheid van de "historische" hoofdstukken.

In het laatste hoodstuk trekken Profane en Stencil samen naar Malta om V. te vinden. Het raadsel bllijft echter onopgelost: bestaat V. eigenlijk wel (om uiteindelijk in een staat van zelfontbinding over te gaan, zoals even wordt gesuggereerd), of is "ze" enkel maar een produkt van Stencils verbeelding, een gegeven dat Stencil beheerst zoals de letter V Pynchons hele roman beheerst? De onzekerheid wordt vergroot door Pynchons virtuoos gebruik van focalisatie en flash-back. In een technische bijdrage onderzoekt Bernard Duyfhuizen in dit nummer de soms vervreemdende verstrengeling van story (de serie gebeurtenissen die in fictie wordt verteld) en history (de historische feiten) in V. Van dit boek is nog steeds geen Nederlandse vertaling gepubliceerd. Uitgeverij Bert Bakker heeft echterp plannen in die richting.

In The Crying of Lot 49, Pynchons meest toegankelijke roman, wordt de doorsnee Californische huisvrouw Oedipa Maas belast met de uitvoering van een belangrijk testament. Deze opdracht brengt haar in contact met een geheimzinning postbedrijf dat misschien wel de hele Amerikaanse samenleving in zijn greep huodt. Net als V. cirkelt Lot 49 rond onzekerheden allerhande. Ook in deze roman doet Pynchon de vraag rijzen of het cruciale gegeven van de plot, hier het postbedrijf Tristero, "werkelijk" bestaat dan wel een projectie is van de hoofdfiguur. Belangrijker dan een sluitend antwoord op deze vraag is de suggestie van Pynchon dat de hedendaagse mens verstrikt zit in een epistemologische situatie die nog het beste met de Engelse uitdrukking "now you see it, now you don't" kan worden omschreven. Het verlangen naar een definitief (transcendentaal?) inzicht blijft echter bestaan. Lot 49 eindigt overigens net voor de veiling van lot nummer 49 (met daarin belangwekkende informatie die misschien wacht op een koper met een mogelijk onthullende identiteit) zal worden geveild. Deze extrapolatie maakt van de oplossing een eeuwigdurend verlangen voor de lezer. Toch blijft hij of zij niet op zijn of haar honger. De suggestie van een opàlossing is op zich reeds waardevol, aangezien ze vandaag de dag waarheidsgetrouwer oogt - "now you see it, now you don't" - dan de oplossing zelf. Toch enig denkcomfort dus in deze barre epistemologische tijden. Maarten van Delden brengt in de lectuur van Lot 49 het noodzakelijk literatuurhistorisch perspectief aan, waardoor Pynchon terecht uit het postmodernistische verdomhoekje wordt gehaald. Aleid Fokkema levert een interpretatie van Pynchons personages en pleit voor een gedeeltelijk reconstructieve visie op Oedipa. In 1978 verscheen een Nederlandse vertaling van The Crying of Lot 49, die nogal wat kritiek te verduren kreeg. 5 Hopelijk brengt Bert Bakker gauw een nieuwe vertaling uit van deze tekst, die ondertussen in de Verenigde Staten in meer dan één anthologie werd opgenomen.

Aan Gravity's Rainbow zijn enkele anekdotes verbonden. Dit magnum opus kreeg in 1973 de National Book Award. Pynchon huurde een acteur in om de prijs in ontvangst te gaan nemen. Het boek werd ook voorgedragen voor de Pulitzer Prize, maar werd uiteindelijk niet bekroond. De Pulitzer Advisory Board liet weten dat Gravity's Rainbow tegelijk onleesbaar en obsceen was. In 1975 werd het boek onderscheiden met de Howells Medal, maar Pynchon was ondertussen blijkbaar zo schuw geworden dat hij de onderscheiding weigerde. "Please don't impose on me something I don't want," schreef hij terug. [6] Gravity's Rainbow samenvatten is onbegonnen werk. Bovendien doet een samenvatting onrecht aan de leeservaring, die in dit geval zonder meer onthutsend kan worden genoemd. Bij een samenvatting verdwijnt Pynchons humor helemaal in het niet, en die is soms zo ontwapenend puberaal dat je er ongemakkelijk van wordt. Toch een paar feiten op een rijtje, al was het maar om potentiële lezers over de drempel heen te helpen. Pynchons kanjer van 760 bladzijden is een ongewone historische roman over de betekenis(sen) van de Tweede Wereldoorlog. Wat de lezer aangeboden krijgt, blijkt op het einde van de roman een film te zijn. Deze film wordt bekeken in een bioscoop in Los Angeles, waarop na het "einde" van de tekst een (atoom?)bom zal neerkomen. Waarover gaat de film? De Amerikaan Tyrone Slothrop wordt er in 1945 op uit gestuurd om in het bezette Duitsland de geheimen van de V-2 te gaan doorgronden. Hij dankt deze missie aan het feit dat zijn erecties in het Londen van 1944 een zeker verband lijken te hebben met de komst en de inslagplaats van deze raketbom. Slothrop verdwijnt spoorloos in "the Zone" (zoals het naoorlogse Duitsland wordt genoemd), maar hij verdrinkt eerder al figuurlijk in de tientallen personages die het universum van Gravity's Rainbow bevolken. Bovendien staat dat universum bol van de verwijzingen naar literatuur, kunst en wetenschap. Pavlov, Max Weber, T.S. Eliot, Rilke en vele anderen worden ingezet als schragen van een visie op de "werkelijkheid" waarin realiteit en fantasie voortdurend in elkaar overvloeien en onzekerheid nog maar eens troef is. Toch kunnen er met enige goede wil twee kampen worden onderscheiden, een dichotomie die trouwens ook geldt voor een deel van de personages. Enerzijds is er "they" of "them" of "the Firm", een controlerende instantie die grensoverschrijdend opereert en de oorlog op touw zet om het kapitalisme aan te zwengelen. Anderzijds is er een groep die aan "hun" controle wil of kan ontsnappen en naar "the other Side" streeft of evolueert, een staat waarmee de in in moderne tijden verloren gegane transcendentie lijkt te worden aangegeven. De figuur die aan deze transcendentie vorm geeft is de cirkel, en de circulariteit van leven en dood lijkt dan ook te worden aangeboden als een alternatief voor de lineariteit. Dat alternatief vindt Pynchon bij andere culturen: in Afrika, waar de Herero's hun dorpen in een cirkel bouwen, en in het Azië dat zo belangrijk was voor de alternatieve bewegingen van de jaren zestig. Niet dat Pynchon ook het alternatief niet zou relativeren —een dorpje in Duitsland heet Bad Karma— maar net zoals in The Crying of Lot 49 is er in Gravity's Rainbow een idee van hoop iingebouwd die bij alle conceptualiteit het boek toch een positive dimensie verleent. Pynchon is dus zeker geen nihilist.

Uitgeverij Bert Bakker brengt weldra een Nederlandse vertaling uit van deze magistrale tekst. De vertaler Peter Bergsma deed ongevier drie jaar over het karwei. Yang brengt in dit nummer een voorpublikatie van de eerste twee secties uit De regenboog van de zwaartekracht. Verder volgen nog drie kritische bijdragen. Yves-Marie Léonet evoceert de radicaliteit van Pynchons poëtica en van de leeservaring die erdoor wordt bepaald. Frank Brisard bespreekt het centrale motief van de regenboog en waagt zich erg ver in de Pynchoniaanse doolhof. Hanjo Beressem onderneemt met behulp van Lacaniaanse inzichten een poging tot definitie van "the Zone".

Zeventien jaar na Gravity's Rainbow publiceerde Pynchon eindelijk nog eens een roman. Er waren in de tussentijd hardnekkige geruchten ontstaan dat hij aan een nieuwe kanjer werkte —dit keer over de Amerikaanse Burgeroorlog— maar zover is het niet gekomen. In de plaats daarvan leverde Pynchon zijn tweede "Californische" roman af, Vineland. Het boek speelt in 1984, maar via allerlei vertelstrategieën wordt er vaak teruggekeerd naar de jaren zestig, die ook al zo prominent de "ideologie" van Gravity's Rainbow bepaalden. De nasleep van deze periode zou je het "onderwerp" van de roman kunnen noemen. Pynchon laat zijn personages kwistig inzichten over de flower-power om zich heen strooien. Zo ziet een van de personages in dat het anarchisme van toen eigenlijk de uiting was van de wijd verbreide wens om eeuwig kind te blijven. Bovendien wordt er gesteld dat de jongerenrevolte onvermijdelijk een sterke conservatieve reactie moest uitlokken, die er al snel kwam met de verkiezing van Nixon in 1968. Dat was het begin van het einde, impliceert Pynchon. Verderop laat hij Nixon, Reagan en ook Bush ontmaskeren als de corrupte leiders van neo-fascistische regeringen die Amerika om zeep hebben geholpen of daar nog mee bezig zijn. Daarbij wordt sterk de klemtoon gelegd op de rol van de televisie als verdovingsmiddel bij uitstek. Johan Callens wijdt zijn bijdrage over Vineland in dit nummer dan ook aan de buis, die van de kijkende massa een gewillige groep maakt en sommige personages zo sterk bepaalt dat ze hun eigen gedrag en dat van anderen duiden met verwijzing naar populaire programma's. Pynchon wil zelf overigens ook niet aan deze determinatie ontkomen, want zijn vaak onwaarschijnlijke verhaal lijkt maar al te zeer op een doordeweekse prime-time movie. De hoofdpersonages van Vineland zijn Zoyd Wheeler, Frenesi Gates, hun dochter Prairie en Brock Vond. In de jaren zestig was Frenesi lid van een radicale verzetsbeweging, die zich onder meer de verfilming van politiegeweld tot doel had gesteld. Daarbij werd ze zelf voortdurend gadegeslagen, hetgeen enig "contact" met de overheid opleverde. Frenesi verloor prompt haar hart aan Brock, een geobsedeerde openbare aanklager, die haar wist te overtuigen om voor de FBI te gaan werken. Ze raakte betrokken bij moord, dook onder, huwde Zoyd (een hippiemuzikant), kreeg een dochter van hem, verliet hem en Prairie wanneer Brock weer opdook, huwde later een ander man en kreeg van hem haar tweede kind. De achtergebleven Zoyd kwam op vele manieren aan de kost, met als uitschieter zijn jaarlijkse "transfenestratie ". Met deze sprong door een raam wist hij zijn vergoeding als mentaal gehandicapte steeds weer te vernieuwen. Na de sprong in 1984 (waarmee de roman begin) gaat de bal weer aan het rollen: Brock zit Prairie achterna, die zich als veertienjarige begint te interresseren voor haar verdwenen moeder. De bossen van Vineland, een fictief district in Californië, zijn de plaats waar op het einde van de roman de belangrijkste personages en verhaallijnen samenkomen tijdens de jaarlijse reünie van de familie waartoe Frenesi, Zoyd en Prairie behoren. De familie als losvast samenlevingsverband lijkt dit keer Pynchons alternatief te zijn. Dit alternatief wordt alweer gerelativeerd door de tranerige tv-associaties die het oproept, maar dat maakt het niet waardeloos.

Vineland wordt terloops verbonden met Vinland, de naam die Leif Eriksson gaf aan het beboste stuk van Noord-Amerika waar hij omstreeks het jaar 1000, lang voor Columbus dus, voet aan wal zette. Pynchon suggereert op die manier misschien dat zijn stukje Amerika een oorspronkelijkheidswaarde bezit die elders in de Verenigde Staten totaal verloren is gegaan, ook al blijkt Vineland zelf niet immuun voor de krachten van het verval.

Bij uitgeverij Bert Bakker verscheen in 1991 een vertaling van Vineland. Vertaler Jan Fastenau nam de juiste beslissing door Pynchons krioelende zinnen niet in stukken te hakken. Dat levert wel enkele houterige constructies op, maar het geheel blijft erg trouw aan de stijl van het origineel.

Aangezien niet alle werken van Pynchon in vertaling beschikbaar zijn, werd in de kritische bijdragen van dit nummer geopteerd voor de Engelse citaten.

Noten

  1. De biografische informatie over Pynchon is terug te vinden in drie artikelen:
    1. Matthew Winston, "The Quest for Pynchon," in: George Levine and David Leverenz (eds.), Mindful Pleasures: Essays on Thomas Pynchon (Boston: Little, Brown, 1976) Appendix
    2. Jules Siegel, "Who Is Thomas Pynchon ... And Why Did He Take Of With My Wife?" in: Playboy (March 1977) 97, 122, 168-70, 172, 174
    3. Charles Hollander, "Pynchon's Inferno," in: Cornell Alumni News 81:4 (November 1978) 24-30
  2. Zie Tony Tanner, Thomas Pynchon, (London, New York: Methuen, 1982) 18
  3. Geciteerd uit "Notes" in Pynchon Notes 20-21 (145)
  4. De vertaling is van de hand van Irma van Dam. Ze werd met toestemming van de de uitgever overgenomen uit "Een Trage Leerling " (Amsterdam: Bert Bakker, 1985). Dit boek is inmiddels uitverkocht. Een vertaling van "Entropy" door Karel Osstyn verscheen eerder in Heibel 14:4 (1980) 32-46
  5. Thomas Pynchon, "De veiling van nr. 49". Vertaald door Ronald Jonkers (Bussum: Agathon, 1978). Voor een overzicht van de reacties, zie Frans Ruiter, De receptie van het Amerikaanse postmodernisme in Duitsland en Nederland (Leuven-Apeldoorn: Garant, 1991) 249-255
  6. Tanner, 15

Toelating

Luc Herman (Universiteit Antwerpen) gaf deze site toestemming tot publicatie van deze tekst op 10 oktober 2002. Het betreft hier de inleiding op een themanummer van het tijdschrift Yang, dat geheel gewijd was aan Thomas Pynchon.